← Back to portfolio

Published on 20th September 2015

Het failliet van de milieubeweging (Vork)

Het failliet van de milieubeweging: hoe eco-alarmisme en –autoritarisme het publiek van de groene zaak vervreemd en de aarde een slechte dienst bewijst
Door de gevaren van klimaatverandering te overdrijven en democratische controles te omzeilen, verliezen milieuorganisaties zowel steun als geloofwaardigheid. En dat betekent slecht nieuws voor de planeet.
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik me zorgen maak om het klimaat en het milieu. Klimaatverandering wordt zonder twijfel veroorzaakt door menselijk handelen en heeft ernstige gevolgen voor de planeet en alles wat er op leeft. Zonder twijfel stijgt de komende jaren de temperatuur op aarde, stijgt de zeespiegel tot problematische hoogte en zullen weerextremen vaker voorkomen. Dat betekent onder meer minder voedselzekerheid voor de mensheid, meer massamigratie en het uitsterven van veel planten en dieren.
Ik maak me vooral zorgen om het gebrek aan actie. Ondanks dat de feiten rond klimaatverandering en de gevolgen ervan met elke wetenschappelijke publicatie duidelijker en zekerder worden, groeit de uitstoot van CO2 maar door en door. Afgelopen jaar pompte de wereld zo’n 36 gigaton van het broeikasgas de lucht in, een stijging van 2,3 procent ten opzichte van het jaar daarvoor en 61 (!) procent meer dan 1990, het jaar dat in het Kyoto-protocol als referentiejaar werd ingesteld. En het ziet er niet naar uit dat de trend gekeerd gaat worden binnen afzienbare tijd.
Natuurlijk, trage politieke besluitvorming en gelobby van het gevestigde grootkapitaal maken het niet makkelijk om klimaatverandering aan te pakken. Maar de zogenaamde voorvechters voor de goede zaak, de milieubewegingen, zijn zelf minstens zo schuldig aan het feit dat er de afgelopen decennia nagenoeg niks voor elkaar is gebokst om klimaatverandering een halt toe te roepen. Hoe is het toch mogelijk dat het Greenpeace met een internationaal budget van 237 miljoen euro in 2013 maar niet lukt om een grote genoege massa achter zich te krijgen en beleidsmakers te overtuigen van de reële gevaren van klimaatverandering. Sterker nog, ondanks de enorme hoeveelheid geld en de steeds sterker wordende wetenschappelijke consensus, gelooft minder dan de helft van de Amerikanen nog dat het klimaat wordt beïnvloed door menselijk handelen en vindt het gros van de mensen die wel overtuigd zijn het doorgaans maar een minor issue, zo bleek uit onderzoek van het Pew Research Center. Uit het rapport ‘Nationaal Probleembesef 2013’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt bovendien dat maar 1 procent van alle Nederlanders het milieu als belangrijkste zorgenpunt ziet, het laagste in vijf jaar. Alle actie ten spijt is er maar een conclusie mogelijk: de milieubeweging heeft de afgelopen jaren enorm gefaald.
Een van de belangrijkste oorzaken is de strategie van milieubewegingen om hun boodschap over te brengen: dat is er doorgaans een van overdrijving en bangmakerij. Onze hele beschaving staat op het spel, beweren zowel Al Gore, de man achter de film An Inconvenient Truth, als VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon. Milieubewegingen lijken te denken dat door het schetsen van apocalyptische toekomstscenario’s, onwetende burgers zich als makke schapen achter de goede zaak zullen scharen. Het tegenovergestelde is echter waar. Het inboezemen van angst en het inprenten van een schuldgevoel leidt tot ontkenning, apathie en verlamming. Denken milieubewegingen nu echt dat door een reis met het vliegtuig als een morele zonde te bestempelen, ze zieltjes aan het winnen zijn, vraagt voormalig Greenpeace-hotshot Mark Lynas zich af in de documentaire “What the green movement got wrong” uit 2010. Hij beantwoordt de vraag zelf: nee,natuurlijk niet. Wat er gebeurd is dat mensen hun hakken in het zand zetten en zich uit ontkenning in het sceptische kamp gaan begeven. Uitspraken als dat elke wereldburger eigenlijk de carbon footprint van een Afrikaan ten zuiden van de Sahara zou moeten hebben, grijpen zo in op het leven van de gemiddelde westerling en zijn bovendien zo onhaalbaar, dat de burgers uit machteloosheid hun schouders op zullen halen.
De neergang van het succes van de milieubeweging begon in de jaren 90. In de twee decennia daarvoor hadden ze de wind in de rug en behaalden ze enorme successen: zure regen, het gat in de ozonlaag, en het overmatig gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn allemaal thema’s die door groene bewegingen op de agenda zijn gezet en die succesvol zijn aangepakt. Maar daarna droogden de succesverhalen op. Een reden daarvoor is hun onwelwillendheid om door voortschrijdend inzicht op standpunten terug te komen en door hun onwetenschappelijke visie op veel onderwerpen.
Neem DDT: in 1962 publiceerde Rachel Carson haar beroemde boek Silent Spring, een j’accuse waarin ze de destructieve gevolgen van het insectenverdelgingsmiddel DDT op de voedselketen laat zien. De toen net opkomende groene beweging sprong er op en kreeg het voor elkaar om een wereldwijd verbod op het product af te dwingen. Met het badwater werd echter ook het kind weg gegooid: DDT is namelijk ook erg succesvol in het bestrijden van malaria. Het verbod gold dan wel niet voor DDT als antimalariamiddel, maar het gebruik ervan daalde wel enorm. Veel overheden en NGO’s durfde er niet meer aan, uit angst voor publieke verontwaardiging. Dat zorgde voor een wederopstanding van de ziekte in veel landen, die het door DDT min of meer onder controle hadden. Ondanks een steeds harder klinkende roep van gezondheidsorganisaties om DDT niet als de duivel te zien, bleven milieubewegingen tegen: in 2001 demonstreerde Greenpeace nog om de laatste grote DDT-fabriek tot sluiten te dwingen. Pas in 2005 veranderde Greenpeace van standpunt, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) volgde het jaar daarop.
Wat ook niet helpt, is de duidelijk onwetenschappelijke standpunten die milieubewegingen steeds vaker innemen en waarmee ze het krediet van veel wetenschappers en beleidsmakers verspelen. De meest prominente voorbeelden daarvan zijn kernenergie en genetische modificatie. Ondanks dat kernenergie in staat is om de CO2-uitstoot sterk te verminderen, blijven milieubewegingen tegen. Bij genetische modificatie is het standpunt nog schrijnender. De wetenschappelijke consensus over de veiligheid voor zowel mens als milieu is hierbij net zo sterk als de consensus rond klimaatverandering, maar toch blijft het verzet van Greenpeace en consorten voortduren. Zelfs in ontwikkelingslanden vernielen ze proefvelden, waardoor ze arme boeren en consumenten de toegang ontzeggen tot meer voedselzekerheid.
Ironisch genoeg reageren de milieubewegingen op het slinkende succes door steeds harder te gaan schreeuwen. De overdrijving moet nog groter, de angstscenario’s nog angstaanjagender. En dat speelt tegenstanders in de hand. Want waar overdrijving wordt gebezigd, sluipen er fouten in het verhaal. En zodra de overdreven verhalen worden doorgeprikt, raakt ook het ware verhaal in diskrediet.
Uit frustratie over het niet gehoord worden, drijven sommige milieuactivisten het eco-alarmisme nog verder door, helemaal tot aan eco-autoritarisme: de neiging om democratische controle en de noodzaak van het hebben van een publiek mandaat vooral als een sta-in-de-weg te zien. Volgens deze stroming is de dreiging van klimaatverandering zo eminent, dat het onwettelijke en ondemocratische acties billijkt. Kleinschalige uitingen hiervan zijn het vernielen van proefvelden, maar het strekt zich uit tot het omver willen gooien van politieke systemen. Voorheen was het eco-autoritarisme een stroming in de marge, die beperkt bleef tot radicale bewegingen. Wijlen Judi Barr bijvoorbeeld, oprichter van het relatief succesvolle en radicale Earth First, was voorstander van het opheffen van het kapitalisme om het in te ruilen voor een autoritairder socialisme.
De stroming lijkt nu echter ook aan te slaan bij meer gematigde krachten. In 2010 stelde James Lovelock, de wetenschapper die als eerste het gebruik van CFK’s linkte aan het gat in de ozonlaag, bijvoorbeeld dat ‘democratie maar een tijdje stil gezet moet worden’, om klimaatverandering te stoppen. De nieuwste loten aan de boom van het eco-autoritarisme zijn Naomi Oreskes en Erik Conway, twee gerespecteerde Amerikaanse hoogleraren aan respectievelijk Harvard University en Cal Tech, beide zeer hoog aangeschreven wetenschappelijke instituten. In 2010 schreven ze het standaardwerk Merchants of Doubt, waarin ze de lobby blootlegden die wetgeving om bijvoorbeeld roken, zure regen en het gat in de ozonlaag tegen te gaan, traineerden en vertraagden, met duizenden slachtoffers als resultaat. Het is een boek diepe indruk maakt en mijn denken heeft bepaald.
Dit jaar kwamen ze met hun volgende boek, The Collapse of Western Civilization, waarin ze terugkijken vanuit het jaar 2393 naar de val van het westen driehonderd jaar eerder. Die val wordt veroorzaakt door de apathie die Europa en de Verenigde Staten tentoonspreiden bij het aanpakken van de klimaatproblematiek. Verrassend genoeg woont de hoofdpersoon van het verhaal, diegene die terugkijkt, in de Tweede Chinese Republiek. China blijkt in het boek wel in staat gebleken om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de effecten van klimaatverandering in te dammen. Oreskes en Conway impliceren daarmee dat autoritaire regimes zoals dat van China, beter in staat om met ecologische crises om te gaan. Een sterk gecentraliseerde overheid en inperking van persoonlijk vrijheden zijn essentieel om doelen te bereiken, zo stellen ze dan ook in het boek. In een interview achterin het boek stelt Conway bovendien dat het voor ‘autoritaire regimes waarschijnlijk makkelijker is om de benodigde maatregelen door te voeren.’
Oreskes en Conway stellen zich zelfs achter Neomalthusiaanse maatregelingen als de eenkindpolitiek van China om de klimaatproblematiek te lijf te gaan. In 2040 zal dit idee breed worden ingezet in de wereld, zo ‘voorspelt’ het boek. Ook gedwongen massadeportaties uit gebieden die bijvoorbeeld dreigen onder te lopen door de klimaatverandering kunnen de goedkeuring wegdragen van de twee Amerikanen.
Zulke eco-autoritaire en eco-alarmistische retoriek zal de steun voor milieubewegingen niet groter maken, integendeel. En dat is erg jammer, want veel gevolgen van klimaatverandering zijn nog te stoppen. Als we nu daadwerkelijk ingrijpen, dan stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde maar 1,5 tot 2 graden. Ernstig, maar overkomelijk en een stuk beter te behappen dan de 4 tot 6 graden opwarming die ons te wachten staat als we niet ingrijpen. Het is daarom hoog tijd voor een pragmatische milieubeweging, die een eerlijk verhaal vertelt, niet bang is om haar ongelijk toe te geven en wetenschap boven ideologie stelt. Greenpeace of Milieudefensie, pak de handschoen op.

Close